In de zachtgroene kussens van een
spoorwegcoupé
zit een deftig gezelschap bijeen
Ze schimpen en schelden
op het mindere volk
het werkvolk is intens gemeen
Ze vragen maar steeds voor loon voor hun werk
niets is den proleet naar den zin
Ze schimpen op velden en dan komt de slaap
en het deftige gezelschap slaapt in
Maar hij die niet slaapt is die zwarte piloot
daar voor op die locomotief
Met het ene been in het graf en het andere in de cel
gij eerste klasse slapers bedenkt het toch wel
Zijn handen zijn vuil en hij stinkt naar de zweet
dat deed hij voor u die gesmade proleet